Skip to main content

We lopen de hut binnen, moe van een lange dag in de bergen. Een week lang waren we met zijn tweeën: we zagen weinig andere wandelaars, sliepen vaak alleen in de hutten, en zagen zelfs geen huttenwaard. Alleen wijzelf en het pad. Nu melden we ons bij de vrouw die deze hut beheert. Ze begint meteen uitgebreid te vertellen, over de hut, over de wandelaars die ze de afgelopen dagen heeft ontmoet. Ik voel me overrompeld. Na dagen van stilte is haar aanwezigheid ineens veel.

We vragen waar we kunnen slapen. Ze wijst ons twee kamers waaruit we mogen kiezen. Wat me eigenlijk vreemd voorkomt: de hut heeft zesendertig slaapplaatsen, er zijn maar twee andere gasten, dus wat maakt dat we slechts uit deze twee kamers mogen kiezen? De kamer die we kiezen voldoet prima, dat is het probleem niet. Het is het gegeven dát zij een selectie maakt, dat onze mogelijkheden worden ingeperkt, dat iets in me raakt.

’s Avonds vraagt ze of we ons al hebben ingeschreven. “Nee,” antwoord ik, “maar dat zullen we zeker doen.” Ze zegt: “Zorg dat je het in ieder geval vóór het slapen gedaan hebt.” Mijn vriend moet lachen. “Dat is lang geleden dat iemand mij vertelde wat ik voor het slapen gaan moet doen,” zegt hij. Ik moet er ook om lachen. Het voelt inderdaad bemoederend aan, wat zij doet. We schrijven ons braaf in.

De volgende ochtend, vlak voor vertrek, veeg ik uitgebreid de hal. Het is de gewoonte om de hut netter achter te laten dan je hem aantrof, en mijn vriend en ik haalden er steeds weer plezier uit: we lieten de hut graag zo netjes achter, zodat toekomstige gasten een extra fijne binnenkomst zouden hebben. De huttenwaard bedankt me voor het vegen. Het verbaast me. Het is vriendelijk natuurlijk, maar het voelt onnodig. Het welkom heten, het toewijzen van kamers, het herinneren aan onze verantwoordelijkheden, het bedanken: bij mij roept het beklemming en irritatie op.

Van eigen domein naar andermans regime
Die week waren wij vaak de enigen in de hutten waar we sliepen. Niemand die ons welkom heette, niemand die iets van ons verwachtte, niemand die zag wat we deden. We wérden, in zekere zin, het gezag over onze eigen plek. Die vrijheid nestelt zich klaarblijkelijk sneller dan je denkt: je gaat er ongemerkt van uit dat de vrijheid blijft. Toen ik deze hut binnenstapte, was er ineens weer een orde die niet de mijne was. Niet omdat zij iets vreemds deed (attent maken op inschrijven, kamers toewijzen, bedanken voor het vegen, dat zou je allemaal kunnen zien als haar taak). De vanzelfsprekendheid van mijn eigen regie werd doorbroken door iemand anders.

Vrouwen onder elkaar
Wat deze hut ook bijzonder maakte: behalve mijn vriend, was iedereen vrouw. De huttenwaardin, de twee andere gasten, ikzelf. Achteraf vraag ik me af of dat de lading van het moment mede heeft bepaald. Er schuilt in vrouwelijke sociale verhoudingen vaak een subtielere, minder benoembare vorm van rivaliteit dan tussen mannen, niet over wie de sterkste is, maar over wie de zorgzaamste, de meest capabele, de meest ‘goede gastvrouw’ of ‘goede gast’ is. Misschien voelde de aanwijzing van mijn kamer, mijn inschrijving, mijn schoonmaakbeurt niet alleen als een inperking van autonomie, maar ook als een onuitgesproken beoordeling tussen vrouwen: wie doet het hier eigenlijk goed?

Wie roept het gezag op?
Interessant is dat wij de aanwijzingen en correctie deels zelf hebben uitgenodigd. We hadden ook zelf onze kamer kunnen kiezen en ons meteen kunnen inschrijven; het was immers een self-service hut. In plaats daarvan meldden we ons eerst bij haar. Dat kleine gebaar, ons melden, is het begin van een dynamiek: hier ben ik, vertel me wat te doen. Vanuit systeem-psychodynamisch perspectief ontstaat rolgedrag zelden eenzijdig. Een leidende rol wordt evenzeer aangeboden door de groep als opgenomen door de persoon. Door ons te melden gaven we haar, misschien onbewust, de ruimte om ons te vertellen wat te doen en tegelijk ervoeren we het als een inperking toen ze die ruimte innam.

Zelfsturing die toch bestuurd wordt
Die spanning herken ik uit organisaties. Leidinggevenden willen eigenaarschap vergroten, richten daarvoor zelfsturende of resultaatverantwoordelijke teams in en blijven ondertussen sturen op het moment dat het spannend wordt. Uit zorg, verantwoordelijkheid, angst om het loslaten, uit gewoonte. Maar het effect in de uitvoerende teams is hetzelfde als in de hut: mensen voelen zich uitgenodigd om zelf verantwoordelijkheid te nemen, en ervaren vervolgens dat die verantwoordelijkheid alsnog wordt gecontroleerd, bijgestuurd, beoordeeld. Zelfsturing en sturing bijten elkaar zodra beiden tegelijk aanwezig zijn, ook als ze goedbedoeld naast elkaar bestaan.

De hut als spiegel van leiderschap
Misschien had ik mezelf stilzwijgend tot leider van onze eigen kleine expeditie gemaakt, verantwoordelijk voor route, voedsel, veiligheid. En misschien accepteerde ik daarom niet zomaar dat die rol, bij binnenkomst in de hut, weer overgenomen werd door iemand anders.

Het gaat me niet zozeer of de huttenwaard nu te veel doet of niet. Het is interessant wat de aan- of afwezigheid van gezag in een systeem losmaakt: hoezeer leiderschap al besloten ligt in de cultuur van een plek, hoe snel we, ondanks onszelf, terugvallen in de rol van kind zodra er weer een moederlijke volwassene in de kamer is, en hoe moeilijk het is, ook in organisaties, om ruimte te geven én tegelijk los te laten.