Skip to main content

We stonden stil voor een stoplicht. Mijn moeder naast me op de passagiersstoel. Op weg naar een theaterconcert.

Tot de auto afsloeg.

Nog een keer starten. Even pruttelen. Geen vermogen. Waar is het vermogen? Wat nu? En dan stilte. Alarmlichten aan. Een kruispunt met eenbaanswegen. Fietspaden als harde grenzen. Geen parkeerplek. Geen uitwijkruimte. Geen marge.

In de spiegels zie ik beweging ontstaan. Auto’s die al snel een file vormen. Blikken. Toeters in de verte. Medeweggebruikers die zich een weg langs ons proberen te banen.

Mijn moeder stapt uit om te duwen. Sportief. Vastberaden. Maar 1300 kilo laat zich niet verplaatsen door goede wil. Ik zie haar kijken naar de auto’s die langskomen, naar het verkeer dat van alle kanten door elkaar beweegt op dit kruispunt. “Mam, we wisselen.” Mijn moeder achter het stuur. Ik achter de auto: zij met mijn stem in haar oor, ik met onze veiligheid in mijn hoofd. Zonder stuurbekrachtiging. Zonder rembekrachtiging. Alleen instructie: “Gewoon sturen. Rukken aan het stuur. Gebruik de handrem.”

Ergens daar, in dat simpele wisselen van plek, verschoof er meer dan alleen positie. Mijn moeder wordt steeds stiller. Haar schouders omhoog. Ik zie haar teruggaan – niet in woorden, maar in de manier waarop ze naar de grond kijkt. Naar die aanrijding onlangs.

Auto’s passeren ons. Stoïcijnse gezichten. Geïrriteerde blikken. Snelle rijders die rakelings langs ons rijden. Toeters die spreken waar woorden ontbreken.

Tot zij haar auto schuin parkeert, het fietspad blokkeert, uitstapt en roept “Ik kom je helpen!” Ze duwt mee. Bij elke toeter draait ze zich om. Middelvinger omhoog. Woede uit haar hele lijf: “FUCK YOU! KOM ZELF HELPEN! Sterke mannen, te beroerd om uit te stappen! Wat is dit voor maatschappij?! FOCK JOU”

Ze schreeuwt wat anderen laten horen via hun claxon. Ze stopt waar anderen passeren. Ze doet wat anderen niet doen: helpen. En toch voelt het niet alleen als helpen. Haar ‘FOCK YOU!’ klinkt tegelijk absurd en krachtig. Alsof dit kruispunt haar een podium geeft voor iets wat al langer in haar zit. Alsof onze stilstand haar aanleiding is. Alsof onze auto de klep opent van iets wat al onder druk stond. Ze ontlaadt. Ze uit zich. Ze neemt ruimte. Ze helpt niet alleen ons, ze is de uitlaatklep van iets dat groter is dan zijzelf. Als iets dat groter is dan deze situatie.

Ik ben in oplossingsmodus. Praktisch. Gefocust. En tegelijk zie ik de absurditeit. En voel ik de slappe lach opkomen. Ondertussen ben ik ook ergens anders. Bij mijn moeder. Bij haar lijf. Bij de spanning die ik zie. Van de schrik die er nog zit van die aanrijding laatst. Niet als verhaal, maar als gevoel.

Ik bedank de vrouw. Zeg dat zij wél degene is geweest die ze anderen verwijt niet te zijn. Ze hoort het niet. Ze steekt al over. Woede nog in haar lichaam. Haar auto nog half op de weg. Haar systeem nog niet tot rust.

Tijdens het concert dwaal ik af en denk ik: hoe vaak zijn situaties niet de oorzaak, maar het podium? Hoe vaak is wat we zien niet het probleem, maar de ontlading?

En als spanning zich verplaatst, waarheen verplaatst die zich dan?

En wat zegt dat over het systeem waar jij deel van bent?